Diezelfde vraag weer

Boekenplein

Om de zoveel tijd duikt de vraag op wanneer mijn persoonlijke homepage op xs4all.nl uitgebreid werd met bijdragen van andere auteurs en tevens voorzien werd van het bestand colofon.htm waarin duidelijk gemaakt werd dat er inmiddels geen sprake meer was van een persoonlijke pagina, maar een tijdschrift.

Wanneer? Een goede vraag waar ik geen sluitend antwoord op kan geven. Dat antwoord zou dankzij het gebruik van computers toch zo makkelijk te geven moeten zijn. Elk bestand heeft immers een time stamp.

Een webpagina bestond indertijd uit twee soorten bestanden, graphics in GIF-formaat en HTML-bestanden. Ga ik in mijn archief kijken dan vind ik GIF-bestanden, gemaakt in Paint Shop Pro v2 en v3, waarvan de oudste bestanden – gebruikt voor het tijdschrift – in september 1994 zijn gemaakt.

Vreemd genoeg zijn de HTML-bestanden uit 1995. Veiligheidshalve heb ik de geboorte van de Opkamer dus aan 1995 gekoppeld. Ik weet dat dit niet de werkelijkheid is zoals ik mij die herinner.

Hoe ontstaat zo’n onduidelijkheid dan?

Eigenlijk heel simpel. Ik had beperkte computervaardigheden en de vroegste HTML-bestanden zijn op de Unix-server zelf – aan de prompt – geschreven in een programma dat naar mijn beste weten Pico heette. Met dat programma was het mogelijk om HTML-pagina’s direct op de server zelf te creëren. Een uiterst omslachtige methode, maar ik had geen idee hoe het anders moest. Ook wist ik niet hoe ik die in Pico geproduceerde pagina’s weer naar mijn desktop moest halen als back-up.

Dus die bestanden ontbreken. De graphics met een time stamp uit 1994 zijn er wel. Het is een half bewijs dat de Opkamer als tijdschrift in 1994 al bestond. Maar een half bewijs telt niet.

Vandaar 1995.

Er zijn natuurlijk andere argumenten aan te voeren waarom 1994 wel klopt. De Digitale Stad Amsterdam had de Opkamer nooit aan het Boekenplein geplaatst naast de Groene Amsterdammer, de Koninklijke Bibliotheek en het Laurens Jansz. Costerproject als de Opkamer een persoonlijke homepage was geweest van een schrijver zoals ik die slechts één roman in de winkel had liggen.

Maar het zou wel een mooi verhaal zijn geweest als de Opkamer zomaar uit het niets op De Digitale Stad was ontstaan. Dat klinkt veel romantischer dan het geploeter van een halve digibeet die met Pico webpagina’s maakte op een betaald account bij xs4all.nl en die maandelijks ook nog eens een telefoonrekening had tussen de 600 en 900 gulden omdat het programmeren van HTML online via een trage telefoonlijn geschiedde.
 

Een diepe zucht

Het was bijna middernacht toen ik mijn E-mail opende en het bericht zag van Kees Teszelszky, conservator digitale collecties van de Koninklijke Bibliotheek. Het bericht had als bijlage zijn stuk over de Opkamer. Tot vier uur vannacht ben ik wakker gebleven en ik heb het herlezen totdat ik de tekst zo’n beetje kon dromen. Op het risico af melodramatisch over te komen – het voelde als de grote gerechtigheid die 23 jaar na het ontstaan van de Opkamer zo maar geruisloos op mijn mat was gevallen.

Niet dat er in de beginperiode van de Opkamer te weinig geschreven is over het digitale tijdschrift dat vrijwel uit het niets en op organische wijze was ontstaan, maar de badinerende teksten van veelal jonge recensenten die als enige op hun redactie de duistere paden van het Internet exploreerden, gingen zelden of nooit over de inhoud van de Opkamer. Die teksten dienden een geheel ander doel, namelijk het belachelijk maken van literatuur op het Internet. Niet omdat daar goede argumenten voor waren, maar gewoon omdat het modieus was.

Bovendien was het altijd goed voor een schouderklopje van hoofd- of eindredacteur.

Die houding heeft zijn vruchten afgeworpen. In plaats van de diverse kleine initiatieven op het gebied van Nederlandstalige literatuur op het web aan te moedigen werden diezelfde initiatieven meedogenloos afgefakkeld. Wat uiteindelijk aan oorspronkelijke Nederlandstalige literatuur overbleef waren de sites die geen enkele band met hoge cultuur hadden. Of reclamesites van uitgeverijen. Van reclame krijgen we kennelijk nooit genoeg.

Dichters en schrijvers die een publiek op het web hadden verworven, werden uiterst zwijgzaam over hun afkomst zodra hun werk in druk verscheen. De lijst van auteurs die het Internet indertijd als springplank gebruikt hebben is langer dan u misschien zou denken.

Ik herinner me hoe dolgelukkig dichter Menno Wigman was dat hij in het café werd aangesproken door meisjes die zijn werk daadwerkelijk hadden gelezen. Waarom? Omdat het gratis was en voor iedereen toegankelijk. Een dichter verdient weinig aan een bundel. Een dichter heeft vooral publiek nodig. Ik zou durven stellen dat elke kunstenaar bovenal publiek nodig heeft. Een dichtbundel die onder de trap van een keurige boekhandel op een stapeltje excentrieke uitgaven ligt, wordt misschien jaarlijks gelezen door 250 mensen en een handjevol recensenten.

Net zo vaak werden de gedichten van Wigman dagelijks gelezen in de Opkamer.

Wigman heeft later in alle toonaarden gezwegen over het winnen van de Internet Poëzieprijs en zijn indrukwekkende rol als redacteur bij de Opkamer. Ik heb dat begrepen en ik heb het hem zelden of nooit kwalijk genomen.

Zelf kwam ik in conflict met mijn eigen uitgeverij. Een onaf manuscript dat eerder al goedgekeurd was, werd zonder dat ik er een letter aan veranderd had opeens met veel dédain afgekeurd door veelschrijver Thomas Verbogt. Mijn met Verbogt bevriende uitgever háátte het Internet. Hij beschikte weliswaar over een computer, maar die stond nog ingepakt boven op een archiefkast en zou daar ingepakt blijven staan tot zijn pensioen.

‘Het Internet is voor mensen die van voetbal houden en die lezen niet!’ beet hij mij toe van achter zijn bureau.

‘En dat zegt de man die literair voetbalmagazine Hard Gras uitgeeft,’ riep ik verontwaardigd voordat ik de deur van het pand aan de gracht voor de laatste keer achter me sloot.

Dan opeens bijna een kwart eeuw later dat stuk van Teszelszky, een redelijk objectieve, haast liefdevolle samenvatting geschreven door iemand die wel de moeite heeft genomen de Opkamer te lezen. Misschien omdat het nu kan. Het Internet is er snel genoeg voor en je hoeft als zuinige Nederlander niet meer aan je telefoonrekening te denken als je met een 1200 baud modem over de informatiesnelweg strompelt, zoals indertijd.

Dat zal de Nederlandstalige literatuur op het Internet niet doen herrijzen, want die is al in de wieg succesvol gesmoord, maar in ieder geval kunnen we in webarchieven teruglezen hoe mooi het had kunnen worden voordat we ons met z’n allen, telefoontjes in de hand, in de armen van Zuckerberg en de zijnen stortten, luidkeels declamerend dat de Islam en niet het beperkte culturele besef van Amerikanen onze identiteit vermoordt.
 

Webmeesteres K. en DDS Freeze

Je denkt dat je alles nog wel zo’n beetje weet als je een site als De Opkamer van voor tot achter hebt gecodeerd en van graphics hebt voorzien, maar hoe dieper ik graaf des te groter blijken de hiaten in mijn geheugen te zijn. Niet zo gek misschien na al die jaren, maar het produceren van graphics was voor mij een belangrijk deel van mijn werkzaamheden en juist op dat vlak val ik nu van de ene in de andere verbazing.

Dat bij het tweejarig bestaan van De Digitale Stad in 1996 de harde schijf op een vast tijdstip een ‘freeze’ kreeg en dat die data bewaard zouden worden om in de volgende eeuw opnieuw bekeken te worden, dat wist ik. Ook dat we speciaal voor die gelegenheid een kleine expositie op de site geplaatst hadden, maar dat zelfs de voorplaat in het teken van de ‘freeze’ stond, daar kwam ik vandaag pas achter toen ik bovenstaande graphic vond.

Ik weet zeker dat ik niet de bedoeling heb gehad om ons logo van een blauwe schaduw te voorzien, maar op mijn scherm met 16 kleuren zal dat waarschijnlijk grijs zijn geweest. Ook heb ik indertijd waarschijnlijk niet bedacht dat mijn illustratie misschien ook iets te maken had met het overlijden van mijn vader. Eerder zal ik gedacht hebben dat de illustratie prima paste bij de kop ‘De Opkamer levend begraven!’ omdat ik ‘Freeze’ te Engelstalig vond voor een Nederlandstalige site.

Zo herinner ik mij ook uitsluitend Webmeesteres V. Waarbij de V. verwees naar een van mijn vele pseudoniemen: Eric Vlugt. Bij het produceren van de eerste graphics voor de cursus ‘Internet voor schatjes’ heette de Webmeesteres nog Webmeesteres K., een directe verwijzing naar mijn eigen naam. Of Webmeesteres K. ooit op de site heeft gestaan, betwijfel ik. Eerder denk ik dat de graphic die ik nu gevonden heb een eerste opzetje is. Ik wilde geen foto van mijn eigen gezicht gebruiken, dus was het gezicht van de Webmeesteres een versleutelde versie van een foto die ik jaren eerder gemaakt had van een travestiet op het feestje van een Utrechtse discotheek.

Oorspronkelijk waren deze graphics veel kleiner. De schermresoluties waren immers veel lager, maar voor de presentatie hier heb ik de oorspronkelijke bestanden gekopieerd en vergroot met een programma dat On1 Resize heet, een opvolger van het oudere Genuine Fractals.
 

Zipdisks


 
Ik had eerder al gemeld dat het archief van De Opkamer op verschillende opslagmedia staat. Floppy’s, CD-roms, harde schijven (IDE), gewone diskettes en ook Zip-schijven. Omdat de KB nog niet zo ver was om al die verschillende media in te lezen, was ik vrolijk gaan shoppen op Marktplaats. Ik schafte een Windows 95 computer aan en voor de zekerheid ook een met Windows 98 erop. Het kost allemaal bijna niets en het is per slot van rekening niet alle dagen feest. Bovendien had ik zelf al twee oude Macs (1997 en 1998) staan en die zijn relatief duurder.

De Windows 98 machine is een Compaq Presario 5286, exact hetzelfde model dat tijdens de hoogtijdagen van De Opkamer de redactie sierde. De eigenaar kon er niets mee beginnen want hij wist het wachtwoord niet meer. Naar mijn beste weten kun je gewoon tijdens het opstarten op ESC drukken bij Win98 en dan ben je ook binnen. Zit het wachtwoord echter in de BIOS gebakken, dan kun je voor korte tijd de batterij uit het moederboard halen en dan weet zo’n apparaat al helemaal niet meer dat er ooit sprake was van een wachtwoord. Beveiliging in de vorige eeuw was hoofdzakelijk virtueel. Zoals je aluminiumstrips op een raam plakt en van een leuk knipperend lampje voorziet zonder het geheel te koppelen aan een alarmsysteem.

U voelt het al aan. Ik werd helemaal vrolijk van het aanschaffen van die kantoorjunk.

Ook vergat ik niet om de nodige Zip-lezers en tapestreamers aan te schaffen. Voor de zekerheid alles dubbel, want je weet nooit of die dingen nog wel echt werken. Verkopers die al maanden vergeefs met die troep leurden hadden een mooie dag. En het weer zat ook al mee.

Al die tijd had ik natuurlijk wel in mijn achterhoofd dat de webarcheoloog mij een belangrijke en voor mij geheel nieuwe wetenswaardigheid had verteld. Dat gebeurt niet vaak als je 62 bent, dus dat onthou je dan ook veel makkelijker dan bijvoorbeeld het zoveelste verhaal van een kennis over hoe vervelend zijn of haar ex wel niet is.

De webarcheoloog had mij uitgelegd dat je niet straffeloos een oud medium in kunt lezen zonder dat dit een ‘signature’ achterlaat. Zoiets kan natuurlijk niet. Je laat ook geen patatbakjes in de tombe van een Farao achter. De dienstcoördinator webarchivering kwam wel met een onelegante maar toch plausibele workaround. We zouden die actie goed kunnen documenteren voor het nageslacht. Dat klonk mij als muziek in de oren. Ik dacht: gaan jullie nu maar mooi vergaderen over welke apparatuur jullie gaan aanschaffen, dan ga ik hier ondertussen wel fijn die opslagmedia inlezen. Helemaal fout, ik geeft het meteen toe, maar het is toch moeilijk om anderen data te laten inlezen die deels zakelijk en deels privé zijn.

Net toen de eerste spullen via post.nl mijn woning binnenkwamen, ontving ik een E-mail van de webarcheoloog. Zijn technici waren bezig een write blocker aan te schaffen waarmee harde schijven en ik neem aan ook andere opslagmedia straffeloos ingelezen kunnen worden. Dat was even een kleine tegenvaller, maar ik kan mij troosten met de gedachte dat ik toch wel een tijdje bezig zal zijn om die oude Windowsbakken en aanverwante apparatuur bug- en virusvrij te maken. Bovendien zullen ze me één enkel schijfje waar duidelijk ‘Privé XXX’ op geschreven staat toch wel laten inlezen?
 
 

Schrijversportretten

Theun de Vries

Theun de Vries
Theun de Vries – 2002

 
Voor De Opkamer heb ik veel schrijvers gefotografeerd, meestal in de studio, maar soms ook bij hen thuis, zoals Theun de Vries op bovenstaande foto. Ik herinner me dat hij driehoog ergens in de Jordaan woonde. Dat leverde de nodige problemen op voor de auteur van 95 jaar. Hij mopperde daar niet over. Alleen het buitenzetten van vuilnis was een probleem.

Terugkijkend op die periode betreur ik dat ik redactieleden van De Opkamer niet vaker heb gefotografeerd. Van hen heb ik uiteraard wel snapshots, maar geen monumentale portretten zoals die van Theun de Vries, Doeschka Meijsing, P.F. Thomése en anderen.

Starr Report

Starr Report
Wachten op het Starr Report

Wat doe je als redactie in de jaren negentig op een medium als het internet waar geen stuiver te verdienen valt? Je probeert producten aan te bieden die niet van papier zijn, maar ook weer niet zo makkelijk te negeren zijn als websites. Je gaat cd’s produceren. Echt logisch klinkt het nu niet meer, maar toen leek het een trefzekere strategie.

We hadden al audio cd’s geproduceerd met werk van dichters uit lang vervlogen jaren, maar die verkochten niet. Zelfs de Blindenbibliotheek wilde er niet voor betalen. Het samenstellen van een bloemlezing voor een gevestigde uitgeverij leek nog wel de meest logische oplossing om uit deze digitale hongerwinter te komen, maar dat zou een knieval zijn naar de mannen en vrouwen die in onze ogen tot ‘het houthakkersgilde’ behoorden.

Meer nog dan een redelijk honorarium zaten wij te wachten op een moment dat het internet definitief door zou breken. Een publicatie die de wereld op z’n kop zou zetten en op het internet zou worden gelanceerd.

Dat moment kwam met het verschijnen van het Starr Report, de aanzet tot de impeachmentprocedure van president Bill Clinton. Een rapport dat zo lijvig was dat papieren media er niets mee zouden kunnen, hooguit wat details citeren die smeuïg genoeg waren om een sensatiebelust publiek te charmeren.

De redactie van De Opkamer was er klaar voor. We hadden al meer dan 500 spotprenten op het internet verzameld en op de dag van het verschijnen zaten we ook de pagina’s van verschillende mirror sites te verversen om er direct bij te zijn zodra het rapport on line kwam, doodsbang dat de .gov servers het zouden begeven onder de ‘load’. Dat gebeurde ook af en toe, maar toen hadden wij het rapport al binnen. De cd-labels waren van tevoren geprint en inderdaad – ruim voor de gevestigde media – hadden we het complete Starr Report op cd-rom in twee Amsterdamse boekhandels liggen.

cd Starr ReportWe verkochten welgeteld één exemplaar. Aan een Amerikaanse toerist. Althans, dat is het verhaal. Er is nog een andere versie van datzelfde verhaal, verteld door een boekverkoper die gezien had hoe de boekhandelaar zelf een exemplaar achterhield om ons niet al te zeer teleur te stellen.

U kunt die CD, inclusief de spotprenten nu hier downloaden. Het is geheel gratis, dus we verwachten nu minimaal twee downloads.

< http://www.opkamer.org/wp-content/zips/starr_cd.zip >

De wereldwijde stekkerdoos

Van oorsprong was het internet een netwerk voor onderzoekers en wetenschappers die het medium in al hun gulheid deelden met het grote publiek. Er heerste een grote vrijheid op dat internet, al zou die vrijheid snel door velen als anarchie worden gezien. Daar waar consumenten samenkomen volgen al rap de snelle jongens van het bedrijfsleven en zij stonden in hun onstilbare honger naar consumentengegevens garant voor de eerste coup d’état op het nieuwe, vrije medium. Daarna volgden traag, maar trefzeker de overheden en de inlichtingendiensten. Het eindresultaat van die kongsi is dat u nu waarschijnlijk met gepaste achterdocht sociale netwerken betreedt.

Ik mocht me in de beginjaren van het internet met recht een idealist noemen en ik was van plan mijn turf op de wereldwijde stekkerdoos tot het uiterste te verdedigen. Toch zou ik dat streven niet waar kunnen maken. Het gevecht eindigde uiteindelijk in verraad. Verraad naar mezelf én naar anderen. In mijn redactionele bijdrage voor De Opkamer in 1999 spartel ik moedig nog wat na, maar de strijd is dan reeds ruim verloren, al wil ik dat zelf nog niet inzien.
 

10 februari 1999

Hoewel ik er op het internet niets van gemerkt had, zag ik op televisie dat De Digitale Stad Amsterdam vijf jaar bestond. Een beetje weemoedig werd ik er van.
Was het pas vijf jaar? Het lijkt veel langer geleden dat een groepje zieners besloot om Nederland vooruit te helpen met het opzetten van een netwerk dat sprekend op het internet leek, maar toch vooral gratis moest zijn voor de consument.
Het moet een half jaar na de start van DDS zijn geweest, dat ik mij ook achter heb aangesloten bij die gelederen. Compleet met blije lichten in de ogen, de woorden ‘vrij’ en ‘medium’ losjes voor in de mond, en bij elke verse kop thee had ik weer een nieuwe toepassing gevonden voor die wonderlijke wereldwijde stekkerdoos.
Groots en meeslepend zou het worden!
Toch zou ik mezelf niet zijn geweest, als ik niet van de weeromstuit met iets kleinschaligs op de proppen was gekomen om daarmee deel te nemen aan die allesomvattende digitale maatschappij, waar rang, kleur, stand, leeftijd en sekse naar believen schuil konden gaan achter een gratis login van acht tekens.
In de ogen van anderen moeten we door onze eigen ideeën verblinde zombies geleken hebben. Nog stralingsziek op de koop toe, door die vele uren achter verouderde monitoren. En tot in het merg neurotisch geworden van het dagelijks ophalen van informatie die soms uren stond te downloaden via de 1200 baud modem.

Het idealisme bij DDS heeft geloof ik één jaar stand gehouden en daarna kwamen de grote sponsors, de lessen in zakelijkheid en iedere DDS-medewerker kreeg een bordje boven zijn bureau: ‘Doe maar gewoon, dan doe je gek genoeg.’
Toen de Opkamer omstreeks die tijd een voorpublikatie plaatste voor uitgeverij Meulenhoff, liep de toen nog op wederzijds idealisme gebaseerde samenwerking met DDS pardoes stuk. In hun ogen waren we vanaf dat moment een commerciële onderneming. We kregen een factuur onder de neus en die konden we betalen of we mochten vertrekken. Het laatste is geschied. Wij vertrokken en een site over Flippo’s aan een ander plein bleef – geheel door DDS gesubsidieerd – staan.
Ons eigen domein op het internet: www.opkamer.nl werd een feit. Inmiddels stegen onze kosten net zo onverwacht snel als die bij DDS en de lichten in onze ogen begonnen een wat matter schijnsel af te werpen. Er moest geld verdiend gaan worden, wilden we onze activiteiten on line voortzetten.

Zonder aarzelen hebben we ons in een colbert gehesen om stad en land af te lopen en opdrachten binnen te halen voor het bouwen van sites voor derden. Ook verhuurden we onze webruimte onder aan bedrijven die iets met onze nering – inmiddels ruimhartig uitgebreid met beeldende kunst – van doen hadden.
Weer liep ik, waar ik ook kwam, mensen tegen het lijf met lichten in hun ogen. Verkopers met een visie. Vlot babbelende marktmonsters die allen uit waren op de billion dollar market die het internet in 2000 moest gaan worden.
Drie jaar heb ik mij tussen dit zout der aarde staande gehouden, terwijl ik uit volle borst Zwarte Slaven van de Zangeres Zonder Naam zingend de ene na de andere ballentent voor het internet bij elkaar programmeerde. Totdat het op was. Totdat ik geen ‘Hi!’ roepende verkoper of account manager meer kon zien, zonder dat ik naar mijn pillen moest grijpen.
In een allesomvattende wanhoop, heb ik toen eens op een rij gezet wat al die activiteiten nu daadwerkelijk opleverden en bladerend door de berg paperassen van de Opkamer moest ik al snel tot de conclusie komen dat ik beter glazenophaler in een café kon worden om in mijn vrije tijd verder aan het tijdschrift te werken.

Vervolgens heb ik twee lijstjes gemaakt. Wat heeft zin en wat heeft geen zin? Twee projecten zijn overgebleven. de Opkamer zelf en het World Museum of Erotic Art. Het eerste project maakt verlies, maar wie is er nu hard genoeg om het eerste Nederlandstalige tijdschrift voor het internet de nek om te draaien? Ik niet.
Het museum maakt winst en kan daarmee de kosten van het tijdschrift dekken. De rest van de sites wordt nu geveegd van onze server. Achterwaartse progressie heb ik zo’n actie eens in het bedrijfsleven horen noemen.
Maar als onze berekeningen kloppen, dan zit ik hier binnen de kortste keren weer met lichten in mijn ogen. Want mijn doel heb ik nergens in dat proces van mij af weten te schudden en ik ga door, al moet mijn Nederlandse Opkamer het kleinste bolwerk op het grootste Engelstalige netwerk aller tijden worden.

Henk Romijn Meijer (1929-2008)

© Hans van der Kamp

 


Christine Otten – Uruquay

Christine Otten leest voor De Opkamer het verhaal Uruquay voor.

© Hans van der Kamp

 


Doeschka Meijsing (1947-2012)

Doeschka Meijsing leest voor uit haar grote roman ‘De tweede man’. De geluidsopnamen zijn gemaakt voor en door De Opkamer. Het portret van Meijsing wijkt af van veel andere foto’s uit die jaren omdat ze vlak daarvoor, broodmager geworden, uit het AMC was ontslagen waar ze behandeld was voor leverklachten. Ze was in een bijzonder goed humeur en ernstig verliefd op een dame bij Vrij Nederland.

© Hans van der Kamp