Webmeesteres V.

De Webmeesteres

 
Zoals ik in mijn leven vaak twee of zelfs drie verschillende beroepen naast elkaar heb uitgeoefend, zo heb ik ook vele alterego’s in het leven geroepen. In allereerste instantie – op verzoek van mijn moeder die haar goede naam in gevaar zag komen – het schrijverspseudoniem Max van Norden, waarbij de achternaam een anagram is van haar meisjesnaam. Van Norden won de Propria Cures Onthooftprijs. Hij ‘bestaat’ overigens nog steeds en beschikt zelfs over zijn eigen domein. Verder waren er ook nog Eric Vlugt, Henk van Zanten en niet te vergeten Johan Verpalen die bij datzelfde Propria Cures de Keefmanbokaal in de wacht sleepte.

Mijn eigen naam Hans van der Kamp gebruik ik uitsluitend voor zaken die mij écht in de problemen kunnen werken. Diep in mij schuilt kennelijk een verantwoordelijk en aanspreekbaar mens.

Ook stuurde ik wel eens bij literaire redacties verhalen die eerder door hen geweigerd waren opnieuw in onder het pseudoniem H. Davidson. H. was op mysterieuze wijze veel succesvoller. Vrijwel al zijn inzendingen kregen een positieve reactie. Geen van de literatoren vroeg zich kennelijk af of H. Davidson misschien voor Harley Davison stond.

Veel van die pseudoniemen zijn naar mijn beste weten ook gebruikt voor De Opkamer, maar het alterego Webmeesteres V. met haar cursus ‘Internet voor Schatjes’, een knipoog naar het veel geraadpleegde boek Internet for Dummies, was speciaal voor mijn digitale avontuur in het leven geroepen.

De Webmeesteres schreef columns over haar zware taken als beheerder van de Opkamer server. Lang heeft haar imaginaire bestaan niet geduurd, want al ruim voordat De Opkamer ter ziele ging had ik haar ten grave gedragen. Reden? Ik kwam steeds meer in de rol van technicus te zitten en er bleef naast het beheren van dat ‘wereldmuseum’ weinig tijd over om te schrijven.

Uiteraard kreeg de Webmeesteres een passend internetgraf. De vormgeving daarvan was een persiflage op de toen zeer modieuze websites met een lawaaierige achtergrond. Ik heb nog even een screenshot voor u gemaakt, al doet de aanblik ervan me pijn aan de ogen.

Graf van Webmeesteres V.

De Webmeesteres kwam uiteindelijk nog goed van pas toen Meulenhoff via een imprint een bloemlezing van De Opkamer wilde uitgeven in boekvorm. De speciaal voor die imprint uit Amerika overgevlogen dame, wiens naam me ontschoten is, vond dat er te weinig vrouwen in de Nederlandse literatuur vertegenwoordigd waren, dus koos zij voor de bloemlezing een onevenredig aantal bijdragen van Webmeesteres V.

Dat boek zou er overigens nooit komen. Haar uitgeverschap bij de imprint was van korte duur. Zij was een echt succesnummer. Al snel ging zij in de functie van commercieel directeur de zondagsdichter Maarten Asscher ondersteunen bij het naar een faillisement toewerken van de literaire afdeling van Meulenhoff.


PS: Door het opdiepen van deze bestanden is eindelijk duidelijk geworden wanneer AMEA // World Museum of Erotic Art tot stand kwam. In de nazomer van 1996.
 

Bloem Audio CD

Bloem Audio CD
 
Ik kom de meest vreemde voorwerpen tegen in de archiefdozen van De Opkamer. Het duurde even voordat ik deze CD kon plaatsen, maar nu weet ik het weer. Het was een van de vele malle ideeën om geld te verdienen in de hoop daarmee de hoge telefoonrekening en de serverkosten te bekostigen.

Voor dat lumineuze idee hadden we een (toen nog) peperdure cd-recorder aangeschaft die het vaak ook goed deed, maar nog vaker faalde met als gevolg dat overal in huis stapels onbruikbare cd’s lagen.

Dit was de demo, zeg maar. Ik geloof dat alleen literair agent Marijke Lijnkamp er naar geluisterd heeft. Ze was onder de indruk van wat de moderne techniek zoal vermocht, maar verder hebben we nooit meer over het project gesproken.

Het is wel een leuk voorwerp om te verloten, mocht ik ooit in een moment van geestelijke zwakte een Kickstarteractie beginnen om weer een literair tijdschrift op te zetten.

Missende geluidsfragmenten

Missende geluidsfragmenten

Zojuist heb ik de reportage over de Nacht van de Poëzie door Theo Gaasbeek gerestaureerd. Dat betekende vooral klinkers met accenten die nu in 2018 anders weergegeven worden corrigeren. Helaas misten er twee geluidsframenten:

shrtmns4.aif
disafr3.aif

Die moeten ergens op een floppy, een cd, een band, of een harde schijf staan. Vind ik ze niet dan heb ik altijd nog het oorspronkelijke cassettebandje om die twee digitale bestanden opnieuw aan te maken. Laten we hopen dat het niet zo ver komt, maar de reportage is zeker die moeite waard!

< http://www.opkamer.org/nacht-van-de-poezie-1996/ >

Way Back Machine

Boekenplein

Jarenlang wilde ik niet meer aan De Opkamer herinnerd worden. Wie de complete geschiedenis kent zal mij dat zeker niet verwijten. It was quite a ride. Niemand durft me aan De Opkamer te herinneren, behalve mijn zoon en mijn vroegere buurman Marc van Oostendorp op het Boekenplein van DDS. Hij beheerde daar het Laurens Janszoon Costerproject.

Met enige regelmaat herinnerde hij mij eraan dat de vroege uitgaven van De Opkamer niet meer te vinden zijn in de Way Back Machine, het allesomvattende internetarchief.

In het electronisch tijdschrift Neerlandistiek, voorheen Neder-L, besteedde hij ook af en toe aandacht aan De Opkamer:

< Een toekomst zonder verleden > – 2010

< De begintijd van het Internet is nu! > – 2013

Inderdaad was ik de enige die over alle backups beschikte en het was misschien ook wel verstandig als ik contact opnam met de Koninklijke Bibliotheek waar gerichte aandacht was voor ‘vroege’ webpublicaties.

Zelf was ik echter volledig gedesillusioneerd geraakt met alles wat met Nederlandse literatuur en het internet te maken had. Het was niet zonder oud zeer dat ik op mijn blog een rubriek ‘Gratis Nederlands’ creërde waar ik mijn eerder in druk verschenen korte verhalen en columns als blog publiceerde.

Er moest dan ook iets dramatisch gebeuren om mij naar het berghok te laten sloffen om wat archiefdozen op te diepen. Dat drama kwam met de dood van Menno Wigman. Wigman en ik zijn nooit de allerbeste vrienden geweest en ons contact was sinds het opheffen van De Opkamer minimaal. Het laatste bericht dat ik van hem ontving was een ansichtkaart in 2001 met op de achterzijde de hem kenmerkende drie kruisjes met daar onder twee woorden: Mea Culpa. Misschien was dat een uitnodiging om weer eens contact op te nemen, maar dat heb ik nooit gedaan. Ik neem sowieso zelden contact op met mensen. Ik ben in de loop van de jaren meer een hondenman geworden.

Bewondering voor Menno als redactielid van de Opkamer en vanzelfsprekend als dichter had ik natuurlijk wel en zijn vroege dood kwam dan ook hard aan. Mijn eerste gedachte was: ‘Zie je wel, klootzak, had je maar naar mij geluisterd!’ Een mij typerende reactie als ik een nare tijding niet meteen kan bevatten.

Die dwaze gedachte was direct gekoppeld aan de dag dat ik Menno had leren kennen, ergens in een café, in gezelschap van een meisje dat zo op het eerste gezicht een lastig portret was, maar zo stralend mooi dat je haar dat – in ieder geval voor de korte termijn – probleemloos zou kunnen vergeven. Menno was in die tijd drummer voor de punkgroep Human Alert. Hij had echter andere ambities. Hij wilde dichter worden. Hij werd zichtbaar onrustig toen Gerrit Komrij later die middag het café binnenkwam. Dan weet je dat het iemand ernst is.

Ik kon het niet laten hem op vaderlijke wijze te ontmoedigen. ‘Realiseer je je wel dat je beter drummer in een punkband kunt blijven? Straks in de literatuur zijn er geen mooie meisjes meer, alleen nog ‘dames’ met een chronische wijnkegel die pen-acht-truien dragen en over hun jute zakken lullen alsof het haute couture betreft.’

Grappig vond hij mijn opmerking wel, maar het dichterslicht in zijn ogen was niet te doven.

Uiteindelijk werd een prozaïsche hartkwaal hem fataal. Niet het mooie meisje dat hij indertijd bij zich had. Niet zijn onvermoeibare pogingen om door iedereen aardig gevonden te worden. Het werd een dood die geen romanticus zich zou wensen. Ik besloot bij wijze van ritueel het oude interview met Menno voor De Opkamer op te diepen. Niet omdat het ‘t zoveelste interview met de dichter Wigman was, maar omdat ik hem indertijd de gelegenheid had gegeven om het interview helemaal naar zijn eigen smaak te herschrijven. In die zin was het zonder meer het ultieme interview met de dichter Wigman. Ik besloot die tekst naar Marc van Oostendorp te sturen.

< In de poëzie heeft niemand gelijk > – Neerlandistiek

Weken later werd ik door de Koninklijke Bibliotheek benaderd en besloot ik – al het eerdere tegenspartelen ten spijt – mee te werken en nu zit ik al weken in het archief van De Opkamer te spitten en er komen teksten tevoorschijn, ook van mijn eigen hand, waarvan ik het bestaan allang was vergeten.

Al snel merkte ik dat het archief niet het gehele verhaal vertelde en ik besloot te gaan schrijven over de korte, maar roerige geschiedenis van De Opkamer. Geheel in de traditie van het tijdschrift zal ik die verhalen uiteindelijk bundelen als ePub, maar Van Oostendorp is zo vriendelijk om de beste episodes uit die geschiedenis voor te publiceren in Neerlandistiek. De eerste anekdote over De Opkamer kunt u daar al aantreffen:

< ‘U hoeft niet te doen alsof u bekende Nederlanders kent.’ De Internet Poëzieprijs 1998 >

HvdK