De wereldwijde stekkerdoos

Van oorsprong was het internet een netwerk voor onderzoekers en wetenschappers die het medium in al hun gulheid deelden met het grote publiek. Er heerste een grote vrijheid op dat internet, al zou die vrijheid snel door velen als anarchie worden gezien. Daar waar consumenten samenkomen volgen al rap de snelle jongens van het bedrijfsleven en zij stonden in hun onstilbare honger naar consumentengegevens garant voor de eerste coup d’état op het nieuwe, vrije medium. Daarna volgden traag, maar trefzeker de overheden en de inlichtingendiensten. Het eindresultaat van die kongsi is dat u nu waarschijnlijk met gepaste achterdocht sociale netwerken betreedt.

Ik mocht me in de beginjaren van het internet met recht een idealist noemen en ik was van plan mijn turf op de wereldwijde stekkerdoos tot het uiterste te verdedigen. Toch zou ik dat streven niet waar kunnen maken. Het gevecht eindigde uiteindelijk in verraad. Verraad naar mezelf én naar anderen. In mijn redactionele bijdrage voor De Opkamer in 1999 spartel ik moedig nog wat na, maar de strijd is dan reeds ruim verloren, al wil ik dat zelf nog niet inzien.
 

10 februari 1999

Hoewel ik er op het internet niets van gemerkt had, zag ik op televisie dat De Digitale Stad Amsterdam vijf jaar bestond. Een beetje weemoedig werd ik er van.
Was het pas vijf jaar? Het lijkt veel langer geleden dat een groepje zieners besloot om Nederland vooruit te helpen met het opzetten van een netwerk dat sprekend op het internet leek, maar toch vooral gratis moest zijn voor de consument.
Het moet een half jaar na de start van DDS zijn geweest, dat ik mij ook achter heb aangesloten bij die gelederen. Compleet met blije lichten in de ogen, de woorden ‘vrij’ en ‘medium’ losjes voor in de mond, en bij elke verse kop thee had ik weer een nieuwe toepassing gevonden voor die wonderlijke wereldwijde stekkerdoos.
Groots en meeslepend zou het worden!
Toch zou ik mezelf niet zijn geweest, als ik niet van de weeromstuit met iets kleinschaligs op de proppen was gekomen om daarmee deel te nemen aan die allesomvattende digitale maatschappij, waar rang, kleur, stand, leeftijd en sekse naar believen schuil konden gaan achter een gratis login van acht tekens.
In de ogen van anderen moeten we door onze eigen ideeën verblinde zombies geleken hebben. Nog stralingsziek op de koop toe, door die vele uren achter verouderde monitoren. En tot in het merg neurotisch geworden van het dagelijks ophalen van informatie die soms uren stond te downloaden via de 1200 baud modem.

Het idealisme bij DDS heeft geloof ik één jaar stand gehouden en daarna kwamen de grote sponsors, de lessen in zakelijkheid en iedere DDS-medewerker kreeg een bordje boven zijn bureau: ‘Doe maar gewoon, dan doe je gek genoeg.’
Toen de Opkamer omstreeks die tijd een voorpublikatie plaatste voor uitgeverij Meulenhoff, liep de toen nog op wederzijds idealisme gebaseerde samenwerking met DDS pardoes stuk. In hun ogen waren we vanaf dat moment een commerciële onderneming. We kregen een factuur onder de neus en die konden we betalen of we mochten vertrekken. Het laatste is geschied. Wij vertrokken en een site over Flippo’s aan een ander plein bleef – geheel door DDS gesubsidieerd – staan.
Ons eigen domein op het internet: www.opkamer.nl werd een feit. Inmiddels stegen onze kosten net zo onverwacht snel als die bij DDS en de lichten in onze ogen begonnen een wat matter schijnsel af te werpen. Er moest geld verdiend gaan worden, wilden we onze activiteiten on line voortzetten.

Zonder aarzelen hebben we ons in een colbert gehesen om stad en land af te lopen en opdrachten binnen te halen voor het bouwen van sites voor derden. Ook verhuurden we onze webruimte onder aan bedrijven die iets met onze nering – inmiddels ruimhartig uitgebreid met beeldende kunst – van doen hadden.
Weer liep ik, waar ik ook kwam, mensen tegen het lijf met lichten in hun ogen. Verkopers met een visie. Vlot babbelende marktmonsters die allen uit waren op de billion dollar market die het internet in 2000 moest gaan worden.
Drie jaar heb ik mij tussen dit zout der aarde staande gehouden, terwijl ik uit volle borst Zwarte Slaven van de Zangeres Zonder Naam zingend de ene na de andere ballentent voor het internet bij elkaar programmeerde. Totdat het op was. Totdat ik geen ‘Hi!’ roepende verkoper of account manager meer kon zien, zonder dat ik naar mijn pillen moest grijpen.
In een allesomvattende wanhoop, heb ik toen eens op een rij gezet wat al die activiteiten nu daadwerkelijk opleverden en bladerend door de berg paperassen van de Opkamer moest ik al snel tot de conclusie komen dat ik beter glazenophaler in een café kon worden om in mijn vrije tijd verder aan het tijdschrift te werken.

Vervolgens heb ik twee lijstjes gemaakt. Wat heeft zin en wat heeft geen zin? Twee projecten zijn overgebleven. de Opkamer zelf en het World Museum of Erotic Art. Het eerste project maakt verlies, maar wie is er nu hard genoeg om het eerste Nederlandstalige tijdschrift voor het internet de nek om te draaien? Ik niet.
Het museum maakt winst en kan daarmee de kosten van het tijdschrift dekken. De rest van de sites wordt nu geveegd van onze server. Achterwaartse progressie heb ik zo’n actie eens in het bedrijfsleven horen noemen.
Maar als onze berekeningen kloppen, dan zit ik hier binnen de kortste keren weer met lichten in mijn ogen. Want mijn doel heb ik nergens in dat proces van mij af weten te schudden en ik ga door, al moet mijn Nederlandse Opkamer het kleinste bolwerk op het grootste Engelstalige netwerk aller tijden worden.

Plaats een reactie